10 – Verveling

Ik ga samen met mijn vriendin en haar man naar de sauna. Haar man is een boom van een vent. Hij werkt in een garage en speelt al zijn hele leven rugby. Hij heeft brede schouders, enorme bovenarmen, massieve bovenbenen, een platte neus en bloemkool-oortjes. De neus is drie keer gebroken tijdens het rugbyen, en die oren heeft hij gekregen van de ontelbare klappen die hij er op heeft gehad. Hij zit er niet mee.
 ‘Rugby is de mooiste sport die er bestaat’, zegt hij. ‘Die paar klappen horen erbij, daar word je hard van.’
Mijn vriendin is 1 meter 80 en stevig gebouwd, maar naast hem ziet ze er breekbaar uit.
Het is rustig, we hebben de hele sauna voor ons alleen. Ik lig met gesloten ogen op de bank en doezel weg in de aangename hitte, tot ik opschrik van een hard geluid. Iris slaat haar man! Ik zie hoe ze hem met de vlakke hand een paar harde klappen op zijn schouder geeft, vervolgens op zijn arm slaat, en dan met een vuist een paar stompen op zijn been geeft.
‘Wat doe je?’, zeg ik verbaasd. ‘Waarom sla je hem?’
Iris en haar man lachen om mijn geschrokken gezicht.
‘Ik sla hem niet hoor’, zegt ze, ‘ik aai hem. Als ik het zachter doe voelt hij niets.’
Er zijn twee manieren waarop verveling kan ontstaan: door een gebrek aan impulsen, of door het onvermogen die impulsen waar te nemen. Wanneer we geboren worden zijn we voorbereid op een constante stroom van impulsen. We verwachten een plek te krijgen op het lichaam van onze moeder, zodat we voortdurend huidcontact hebben. We verwachten haar borst in onze buurt, zodat we de sensationele ervaring van het drinken kunnen ervaren als we daar behoefte aan hebben. We verwachten haar aanraking, haar steeds terugkerende aandacht en de sensatie van het meebewegen op haar lichaam, terwijl zij haar dagelijkse bezigheden uitvoert. We verwachten een kaleidoscopische variatie aan kleuren, geluiden, geuren, temperatuurverschillen, aanrakingen en bewegingen, met als veilig baken de aanwezigheid van onze moeder. Wanneer we kunnen kruipen en vervolgens lopen breidt onze wereld, dat mateloos opwindende avontuur, zich steeds uit.
In onze wereld moeten we vaak al vanaf het vroegste begin dealen met een chronisch gebrek aan impulsen. Inplaats gedragen door onze moeder brengen we het grootste gedeelte van de dag liggend in een wiegje door. Er is bewegingloosheid, stilte, onveranderlijkheid, niets. Het uitblijven van de impulsen die we verwachten, die we nodig hebben, verandert onze werkelijkheid in een nachtmerrie. Deze eerste ervaringen van verveling leveren intense gevoelens van frustratie, angst en paniek op, en de enige overlevingsstrategie die we vanuit onze instincten tot onze beschikking hebben is terugtrekking.
De al eerder genoemde numbness komt voort uit een instinctieve poging om de eenzaamheid en verveling niet te voelen. De vreugde wanneer we wél onder de mensen zijn, wanneer we aangeraakt en gezoend worden, wanneer er tegen ons gepraat wordt, wanneer we in een draagzak of desnoods in een kinderwagen naar buiten gaan en ritmisch gewiegd worden, is immens, maar wanneer dit incidenteel is, is het niet genoeg.
 
‘De baby heeft rust nodig’ is de overtuiging waarmee volwassenen hun kinderen onbewust veroordelen tot een onnodige en zinloze marteling. Zo stil en geruisloos mogelijk sluipen ze langs de babykamer, want wanneer hij ook maar één geluid hoort begint hij te huilen. Het misverstand berust op het interpreteren van het huilen. De baby huilt niet omdat hij rust nodig heeft, maar omdat hij hunkert naar impulsen! Het geluid dat hij hoort roept het directe en heftige verlangen op erbij te zijn. Daarom gaat hij huilen. Het is zijn manier om te zeggen: ‘Haal me hier alsjeblieft uit!’ Een felgekleurd mobiel met bewegende Disney-figuurtjes boven zijn hoofd of een muziekdoosje met mechanische melodietjes leiden hem weliswaar even af, maar zijn een armzalig substituut voor waar hij werkelijk behoefte aan heeft.
Naarmate we ouder worden staan ons meer beproevingen te wachten. Het lijkt alsof we getraind worden om verveling zodanig te hanteren dat we er vroeg of laat niet meer op reageren. Op school leren we wachten en nog eens wachten, leren we dat we onze mond moeten houden als de juffrouw praat, dat we onze vinger moeten opsteken als we iets willen vragen en dat we op moeten letten, ook wanneer we niet geboeid zijn. Een gebrek aan gehoorzaamheid wordt gestraft met nog meer verveling: nablijven, niet naar buiten in het speelkwartier, strafregels schrijven of, zoals vroeger gebruikelijk was, in de hoek staan. De volwassen equivalent hiervan is de gevangenis: een herhaling van de babykamer, onze grootste en diepste angst.
Uit angst om gestraft te worden met nog meer verveling leren we omgaan met verveling. We wachten af, zitten het uit, volgen de regels met een soort gelatenheid die voor iedere objectieve buitenstaander duidelijk aangeeft dat we geen plezier hebben, en door de jaren heen ontwikkelen we het vermogen om verveling een plek te geven in ons bestaan. Echter: we wennen er nooit aan.
Numbness is een overlevingsstrategie die heel goed werkt wanneer de pijn van de werkelijkheid te groot is om te dragen. Het is alsof we een dikke huid ontwikkelen, waardoor we minder sensitief worden. Het voordeel daarvan is dat we minder lijden, maar de prijs die we betalen is onze sensitiviteit. We voelen minder pijn, minder eenzaamheid, minder verveling en minder angst, maar we voelen ook minder vreugde, minder genot, minder plezier en minder opwinding. Onder de laag van numbness blijft de hunkering bestaan. Het verlangen naar impulsen, naar intensiteit, naar het ervaren van het hele zintuiglijke spectrum van het leven, blijft ons hele leven bij ons.
Tot op zekere hoogte kunnen we omgaan met de verveling die het dagelijks leven ons oplegt. Na een jaar of vijftien gedwongen schoolgang raken we zelfs gehecht aan het ritme, de voorspelbaarheid en de veiligheid die het volgen van routines oplevert. Het is normaal geworden om vijf dagen per week min of meer hetzelfde te doen. De meesten van ons zijn op een leeftijd van 18 jaar getemd. Het natuurlijke verzet tegen een bestaan dat geestdodend, emotioneel onbevredigend en fysiek frustrerend is is geslonken tot een vaag gevoel van onvrede, waarvan de oorzaak niet langer bewust is. We maken zonder veel verzet de overgang van school naar werk, een ander instituut, waar we weer minimaal vijf dagen per week min of meer hetzelfde doen.
Maar het verlangen naar leven laat zich niet verloochenen. Wanneer we niet op de één of andere manier tegemoet komen aan onze behoefte aan intensiteit, avontuur en verandering, kwijnen we langzaam weg. We worden depressief, raken burnout of krijgen psychische of lichamelijke klachten. We proberen allemaal te ontsnappen aan de dodelijke saaiheid van het dagelijks leven door momenten te zoeken waarop we er even uit kunnen, al is het maar koffie halen bij de kantine of buiten roken. Onze levenshonger maakt dat we onder alle omstandigheden blijven zoeken naar afleiding. Op het werk zijn dat de momenten dat je even weg mag, dat je een praatje maakt met een collega of dat je een paar minuten je eigen ding doet op internet. Bijna alle mensen leven op als er andere mensen in de buurt zijn, dus wanneer je op het werk omgeven bent door andere mensen, al zijn het volslagen vreemden, is het al draaglijker. In je vrije tijd zoek je afleiding voor de sluipende verveling door TV te kijken, te gaan sporten, tijd met je vrienden door te brengen, te eten, te drinken of seks te hebben, en eens per jaar mag je 26 dagen op vakantie.
We zijn allemaal bereid om grote risico’s te nemen in onze hunkering te ontsnappen aan de chronische verveling, en verslaving is daar één van. Verveling is de belangrijkste oorzaak van welke verslaving dan ook. Het is de angst voor de leegte die we proberen op te vullen met onze verslaving. Er zit echter een schaduwkant aan het gegeven dat verslavingen helpen tegen verveling: verslavingen hebben een escalerend karakter. Dat wil zeggen: je hebt steeds meer nodig om hetzelfde effect te bereiken. De eerste paar keer dat je alcohol dronk werd je van twee biertjes euforisch, maar twintig jaar later roept geen enkele hoeveelheid alcohol datzelfde gevoel van euforie nog op.
 
De Vijf V’s
Kortom: Je wordt geboren met een hypergevoelig lichaam en met een enorme nieuwsgierigheid. Door het uitblijven van de impulsen die je nodig hebt en door het opdringen van impulsen die onprettig zijn ontwikkel je langzaam maar zeker een dikke huid: je wordt numb. Door die numbness ervaar je nog minder, waardoor het leven langzaam maar zeker steeds saaier wordt. Om de verveling te verdrijven ga je op zoek naar impulsen. Alleen ben je nu niet langer hypergevoelig, maar ben je vrij numb, waardoor je krachtiger impulsen dan voorheen nodig hebt om nog iets te voelen. Die krachtiger impulsen zijn meestal een uitvergrote vorm van één of meerdere van de Vijf V’s.
Wat zijn de Vijf V’s? Het zijn de vijf functies van de hersenstam ofwel de reptielhersenen, evolutionair gezien het oudste gedeelte van ons brein. De vijf V’s behelzen de basale behoeftes en gedragingen waar we op terug vallen om te overleven. Deze zijn: voeding, vechten, verstarren, vluchten en voortplanten. Dit zijn oerfuncties die nauw verbonden zijn met het continuüm en die een grote invloed hebben op ons gedrag en welbevinden.
Wat gebeurt er met De Vijf V’s in relatie tot onze behoefte de verveling te verdrijven en ondanks de numbness toch iets te voelen? Ze veranderen in verslaving.
Voeding: Je gaat meer eten en zoekt heftiger smaaksensaties dan je vanuit je natuurlijke behoeftes nodig hebt. De laatste tientallen jaren is onze suikerconsumptie enorm toegenomen, omdat de intens zoete smaak van suiker ons direct bevredigt, meer dan het zoet van bijvoorbeeld een appel. De toevoegingen van smaak-, geur- en kleurstoffen komt tegemoet aan die behoefte aan intense eet-ervaringen, maar heeft tegelijkertijd het effect dat je smaakpapillen afstompen. Gewend geraakt aan de intense smaak van synthetische toevoegingen wordt het steeds moeilijker om niet-bewerkt eten te waarderen. Ook neigen we steeds meer naar vet, rijk en machtig eten, naar chips, vlees, patat, taart, shoarma, omdat het volle gevoel dat dat ons geeft ons meer bevredigt dan voedsel dat wellicht gezonder voor ons is, maar ons minder of minder snel een vol gevoel geeft. Eetverslaving is een enorm probleem in onze samenleving. Het uit zich in allerlei ziektes en massaal overgewicht, maar omdat het één van de gemakkelijkste en meest aanvaarde manieren is om gevoelens van verveling en leegte te verdrijven is het ook één van de moeilijkste verslavingen om aan te pakken. Als je eet leef je, en als er niets anders is wat je het gevoel geeft dat je leeft, dan eet je meer, als het moet tot de dood erop volgt. Veel mensen eten zich letterlijk dood en sterven op relatief jonge leeftijd aan de gevolgen van hun ongezonde eetgewoontes.
Vechten: We vechten voor ons leven, en wanneer we in gevecht zijn geeft dat een intens gevoel van in leven zijn. In principe is vechten onnodig wanneer we niet in gevaar zijn en niemand ons leven bedreigt, maar wanneer we moeten kiezen tussen vechten of verveling kiezen veel mensen voor vechten. De bevrediging die vechten geeft lijkt in onze maatschappij min of meer gestroomlijnd. We verbieden onze kinderen te vechten en straffen ze wanneer ze een vriendje op het hoofd timmeren, we blazen stoom af in de sportschool of gaan op kungfu of karate. In gezelschap gedragen we ons over het algemeen netjes, we zeggen ‘sorry’ als we in het voorbijgaan of in de bus iemand per ongeluk aanraken, en we winden ons op over mensen die hun woede niet onder controle hebben en zomaar met iemand in gevecht gaan. Tegelijkertijd hebben we een defensie-apparaat waar we onze jongeren met trots heen sturen en woeden in de hele wereld oorlogen, zodat we ons niet hoeven te vervelen. Het grootste gedeelte van de computerspellen bestaat uit oorlogs- of andere gevechtsspellen waar je kunt vechten, schieten en moorden, en op TV laven we ons aan het vechten van andere mensen, legers en volken. ‘The Fight Club’[1] is een fantastische film over het onmiskenbare feit dat vechten een euforische dimensie heeft.
Ik zit op fitness. Mijn fitness-school is naast het voetbalstadion. Op zondagmiddag wacht ik meestal met sporten tot de voetbalwedstrijd afgelopen is, anders moet ik me door groepen supporters, gewapende politie en ME te paard heen manouevreren. Deze zondag ben ik echter te vroeg. Het is een uur na de wedstrijd, maar de voetbalsupporters weigeren te vertrekken. Ik zie een gele muur van de ME te paard. Het regent, en ze dragen allemaal potsierlijk gele regenpakken en mutsen. Aan de ene kant staan bussen met voetbalsupporters uit Rotterdam, aan de andere kant staan honderden thuis-supporters. De bussen kunnen niet vertrekken, men vreest voor aanvallen van de thuis-supporters, want Feyenoord heeft gewonnen. Ik moet door de supporters heen, een massieve groep van grimmig uitziende mannen, ogen gericht op de bussen in de verte. Ik stap van mijn fiets af en loop voorzichtig door de menigte heen. De dreigende sfeer is haast tastbaar, het ruikt naar bloed. Wanneer ik er bijna doorheen ben word ik gespot door twee mannen, flesje bier in de hand, openhangende jassen, nat haar, die me de weg versperren. ‘Wat moet dat, kankerhoer?’, roept één van hen, maar ze gaan wel opzij. ‘Sorry’, zeg ik, en loop door. De ander roept me na: ‘Wel een beetje uitkijken hè, teringwijf!’ Mijn hart klopt in mijn keel, niet van angst, maar van woede. Wanneer ik uit de menigte ben en mijn fiets bij de fitness-school op slot zet spuug ik op de grond in een gebaar van minachting. Ik hoop dat ze het zien.
 
Ik ben net op tijd voor de Body Combat les. De Body Pump is net voorbij, daar komen altijd veel mannen, maar bij de Body Combat zijn meestal alleen vrouwen. Misschien omdat de instructrice een wat feministisch type is, of omdat we bij Body Combat geen gewichten gebruiken. We gaan van start op keiharde muziek en volgen de instructrice in haar ritmische kicks en punches. Mijn God, wat kan die vrouw hard schoppen. ‘Kijk boos’, roept ze, wat me niet echt lukt. ‘Je bent in gevecht! Het hoofd van je tegenstander druk je tegen de grond! Je rechterhand op zijn keel! In je linkerhand een baksteen. Til je linkerarm op! Open je borst, en sla! En sla! En sla! Op het ritme van de housemuziek slaan we het denkbeeldige gezicht van onze denkbeeldige tegenstander tot pap. Onwillekeurig denk ik aan die twee idioten van net, en half beschaamd realiseer ik me hoe lekker het is me voor te stellen dat het één van hen is die ik tegen de grond sla.
Verstarren: Verstarren is wellicht de meest ondoorgrondelijke V van alle vijf. We hebben het als oer-instinct meegekregen uit de tijd dat we nog het risico liepen om aangevallen te worden door wilde dieren die bliksemsnel reageerden op beweging, maar een onbeweeglijke prooi niet konden zien. ‘Ik verstijfde van angst’ is een overblijfsel van dat mechanisme.
‘Inglourious basterds’[2] begint met een bloedstollende scène waar een Duitse nazi-officier een glas melk drinkt in de keuken van een zwijgzame boer. De officier houdt een tergende monoloog houdt over de Germaanse superioriteit. ‘Joden zijn net ratten’, zegt hij, ‘ze verstoppen zich in de donkerste hoeken van de samenleving.’ Ondertussen beweegt de camera omlaag en toont een Joodse familie die als verstijfd onder de keukenvloer in elkaar gedoken zit, handen voor de mond, de ogen wijdopengesperd van angst. In het gesprek blijkt dat de officier weet dat de Joden er zitten en een sadistisch genoegen schept in het rekken van de tijd. Terwijl hij blijft praten tegen de verslagen boer gebaart hij door het raam naar de twee soldaten die buiten staan. Deze komen naar binnen, de officier wijst naar de keukenvloer en knikt. De soldaten beginnen te schieten, de planken van de keukenvloer versplinteren en de Joodse familie wordt afgeslacht. ‘Als ratten in de val’, grijnst de officier naar de boer. Deze zit op zijn beurt als verstard in zijn stoel. Zijn drie dochters staan buiten te wachten, en hij weet niet wat de represailles zijn van de nazi nu duidelijk is dat hij Joden hielp onderduiken.
In onze moderne samenleving verstarren we vaker dan we denken. Het zijn de momenten in het leven dat we niet weten wat we moeten doen, geen uitweg zien, niet weten wat er van ons verwacht wordt, niet weten wat we willen, en om die reden verkrampen. Oorspronkelijk was het verstarrings-mechanisme een kwestie van leven of dood. Wanneer het lukte om onbeweeglijk en daardoor onzichtbaar te blijven redden we daarmee ons leven. Wanneer we per ongeluk een beweging maakten, hoestten of niesten konden we daarmee ons leven verliezen. Om die reden is verstarren gekoppeld aan een heel intens verlangen naar leven. De opluchting wanneer het gevaar voorbij is is euforisch. Desalniettemin zoeken we niet zo vaak de verstarring op in ons leven, niet zo vaak als dat we ons overgeven aan eten of vechten. Het kan echter wel verklaren waarom we zo gek zijn op thrillers, detectives en horrorfilms. Stephen King is een meester in het oproepen van verstarring en de daaropvolgende opluchting.
Verstarren wordt een levenswijze wanneer je niet langer in staat bent om uit de rigide patronen van je leven te stappen en iedere dag volgens hetzelfde stramien verloopt. We kennen allemaal de neurotische huisvrouw die op vrijdag het huis poetst terwijl het nog schoon is, de collega met smetvrees of de wat zielige kennis die al dertig jaar in het magazijn van V & D werkt en nog nooit te laat is gekomen, maar ook zelf hebben we dit soort gewoontes: gestolde, verstarde levensregels die we gebruiken om onze angst voor de zinloosheid, de verveling en de nutteloosheid van ons bestaan tegen te gaan. Zo zal ik zelf nooit nalaten om het sprei op mijn bed glad te trekken nadat ik ’s ochtends opgestaan ben.
Vluchten: ‘Dat is vluchtgedrag’ zeggen we wanneer iemand zegt: ‘Ik wil gewoon weg hier, op reis, een nieuw leven beginnen in een warm land, alles achter me laten, een nieuwe start maken.’  Vluchten wordt geassocieerd met zwakte, maar toch is het één van die oer-functies die je in contact brengt met de liefde voor het leven. Je vlucht weg van het gevaar, in de richting van een leven met meer overlevingskansen, meer mogelijkheden en wellicht meer vrijheid. Als volk vluchtten we in het verleden voor honger, dorst, ziekte, wilde dieren en vijandige stammen, en dat maakte dat we overleefden. Dat ligt ten grondslag aan het verlangen te vluchten wanneer we ons beklemd voelen, of wanneer we niet gelukkig zijn. Vluchten biedt een even intense ervaring als de ervaring van verstarren, vechten of eten. Zo vluchten we voor verveling, voor verantwoordelijkheid, voor verplichtingen en voor de gevolgen van onze daden. Voor sommige mensen is vluchten een manier van leven geworden – het idee van blijven jaagt ze zoveel angst aan dat ze voortdurend in beweging moeten blijven, voortdurend op zoek zijn naar een nieuwe partner, nieuw werk, een nieuw huis, nieuwe mogelijkheden, omdat ze tot op het bot ontevreden zijn met hun leven.
Vluchten is ook verbonden met snelheid. Hoe sneller we kunnen rennen, rijden of vliegen, des te groter is onze kans te ontsnappen wanneer er gevaar dreigt. Dat verklaart wellicht onze liefde voor snelle auto’s, al is het een vrij bizar plaatje om al die auto’s in de file te zien staan tijdens de avondspits.
Voortplanten: Seks is één van de meeste intense ervaringen die we in ons leven kunnen hebben. De aantrekking, opwinding en passie, de aanraking, de nabijheid van een ander mens, het oogcontact, de zintuiglijke overdaad aan indrukken, het huidcontact, de geur, de smaak, de warmte, de versnelde ademhaling, de natheid, het gekreun, de heftige reacties van het lichaam en het orgasme zijn voor een mens dat lijdt onder een chronisch gebrek aan impulsen het summum van afleiding. Sinds Bill vreemdging met Monica en een excuus nodig had is de term ‘seksverslaving’ bedacht, maar de meeste mensen ervaren zichzelf absoluut niet verslaafd, ook niet wanneer ze voortdurend aan seks denken, veelvuldig masturberen en klaarkomen en ernaar streven zo veel en zo vaak mogelijk seks te hebben. De grens tussen een natuurlijk verlangen naar seks en een obsessief verlangen naar seks is niet altijd even makkelijk te trekken, net zomin dat het moeilijk is om onderscheid te maken tussen echte honger en lekkere trek.
In mijn optiek zijn eten, vechten en voortplanten de meest gebruikte en meest aanvaarde strategiën om te ontkomen aan verveling. Eten en seks zijn in deze geen reactie op gevaar – we eten en planten ons voort, ook als er geen gevaar dreigt. Vluchten, vechten en verstarren zijn reacties op gevaar, en in die zin prefereren we wellicht eten en seks boven vechten, vluchten en verstarren in onze eindeloze zoektocht naar afleiding.
Ons leven speelt zich voor een groot gedeelte af tussen twee uitersten: de behoefte aan veiligheid enerzijds en de dwingende, obsessieve, constante gerichtheid op afleiding anderzijds. De behoefte aan veiligheid maakt dat we bereid zijn een zekere mate van verveling te verdragen en de numbness zelfs tot op zekere hoogte omhelzen, maar de behoefte aan leven maakt ons opstandig en bereid risico’s te nemen om te ontsnappen uit het keurslijf van verveling, voorspelbaarheid en routine.
Ieder van ons geeft daar op geheel eigen wijze een invulling aan, maar over het algemeen voelen we ons meer aangetrokken tot de held die op avontuur gaat, grote risico’s neemt om zijn geliefde voor zich te winnen, zijn leven op het spel zet om het monster te verslaan en zich in uiterst onveilige situaties begeeft om zijn doel te bereiken dan de persoon die ervoor kiest om thuis te blijven en de volgende dag toch maar weer gewoon naar kantoor te gaan. Tegelijkertijd besteden we de rol van de held liever uit aan anderen dan dat we hem zelf op ons nemen. Het bekijken van andermans heldendaden op het witte doek: James Bond, Indiana Jones of Lara Croft die de wereld redden, of het zijn van de held in cyberspace, is voor velen van ons bevredigend genoeg. We sterven eerder aan de popcorn dan aan de enorme risico’s die we in het leven genomen hebben.
Het escalerende karakter van verslavingen en de neiging de Vijf V’s uit te vergroten ter afleiding veroorzaken vroeg of laat een impasse. Alle verslavingen hebben tot gevolg dat de numbness langzaam maar zeker groter wordt. Daarnaast kosten verslavingen energie. De energie voor de intensiteit van de ervaring komt ergens vandaan, en wel uit je lichaam. Hoe minder energie in je lichaam aanwezig is, des te minder voel je. Iedereen kent de kater na een nacht van doorzakken. Wanneer het hele leven echter een kwestie is van het nastreven van pieken door middel van koffie, eten, conflicten, alcohol, stress, piekeren, slaapgebrek, verdovende middelen, stimulerende middelen, pijnstillers, drugs en seks ontstaat er langzaam maar zeker geen tijdelijke kater, maar een voortdurende staat van katerigheid.
De negatieve spiraal die ontstaat door het vermijden van verveling ziet er ongeveer zo uit:
1.      Je mist de impulsen die je nodig hebt om te voelen dat je leeft, waardoor je je gaat vervelen.
2.      Om dit niet te voelen trek je je deels terug uit je lichaam: je wordt numb.
3.      De numbness versterkt het gemis, waardoor je je nog meer gaat vervelen.
4.      Om dit gemis niet te voelen ga je op zoek naar afleiding: heftige impulsen die je het gevoel geven dat je leeft.
5.      Deze heftige impulsen onttrekken energie aan je lichaam en stompen je zintuigen af, waardoor je nog number wordt.
Zo herhaalt de cyclus zich. De verveling wordt niet minder, maar meer. Dat zie je ook terug in de samenleving: ondanks de overdaad aan impulsen, afleiding, eten, drinken, entertainment en vermaak gaan mensen zich toch steeds meer vervelen.
Afhankelijk van je karakter kies je voor een leven dat bepaald wordt door een fixatie op één of meerdere van de Vijf V’s. Ook al leidt dit soms tot grillig gedrag en lost het de verveling niet op, het is wel een creatieve tijdelijke oplossing. Toch is er ook een andere manier. Je kunt opnieuw leren voelen. Wanneer je manieren vindt om de lichamelijke en emotionele numbness te verminderen en andere keuzes maakt wat betreft de manier waarop je je dagelijks leven invult, kun je langzaam maar zeker je natuurlijke gevoeligheid weer ontwikkelen, zonder dat je daarvoor afhankelijk bent van welke verslaving dan ook.
De keus voor een leven waarin je gevoeligheid toeneemt inplaats van afneemt is voor iedereen toegankelijk, maar is niet vanzelfsprekend. Het is in de meest letterlijke zin van het woord een keren van het tij.

[1] ‘The Fight Club’, 1999, met Brad Pitt en Edward Norton. Regie: David Fincher
[2] ‘Inglourious Basterds’, 2009. Regie: Quentin Tarantino.
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s