1- Het continuüm

Visie op Seks - Hoofdstuk 1Jean Liedloff introduceerde de term ‘continuüm’ in haar boek ‘The continuum concept’.[1] ‘Het continuüm’ zou je kunnen omschrijven als: ‘De massieve, collectieve beweging van de evolutie in alles wat leeft.’ Het is de onderstroom die onze behoeftes en ons gedrag bepaalt, bewust danwel onbewust. Het continuüm is dat wat ons draagt, dat waarbinnen we ons veilig en geborgen weten. Het is diep verbonden is met wie we werkelijk zijn, met waar we vandaan komen.

Miljoenen jaren ontwikkeling hebben ons gemaakt tot wat we zijn: wezens met een ziel en een lichaam, waarmee we kunnen overleven in een omgeving waar we ons thuis voelen. Het continuüm bepaalt ons natuurlijke gedrag, de manier waarop we ons voortplanten, de manier waarop we onszelf in leven houden, de manier waarop we contact maken, de manier waarop we reageren en de onbewuste consequenties die we verbinden aan onze acties en de dingen die ons overkomen. Het bepaalt ook of we ons gelukkig of ongelukkig voelen.

Het boek van Liedloff beschrijft op sublieme wijze welke gevolgen het heeft voor individu en maatschappij als de meest basale behoefte van een baby: aanraking, niet bevredigd wordt. 

De Vliegende Hollanders

Toen ik zwanger was van mijn dochter woonde ik in een dorp in Noorwegen. Nergens in de verre omtrek vonden we een vroedvrouw of dokter die bereid was ons te helpen met een thuisbevalling, dus we moesten naar het ziekenhuis. De weeën begonnen in alle vroegte, thuis in mijn warme bed. Ik had helemaal geen zin om te gaan, maar het moest. Met tegenzin hees ik me in de auto, het was een half uur rijden. Halverwege de rit braken de vliezen, de persweeën begonnen en ik riep: 

‘Stop de auto!’ 
Mijn man deed bezorgd wat ik vroeg, ik klom uit de auto en ging gehurkt langs de weg zitten. De spits was inmiddels begonnen, maar dat kon me geen moer schelen. Mijn man wel.
‘Wat doe je?’, zei hij. ‘Straks beval je nog hier!’ 
Dat was precies wat ik van plan was. De auto was veel te klein, ik kon geen kant op. Met veel overredingskracht en onder zachte dwang hielp mijn man me weer de auto in. Even later waren we bij het ziekenhuis. We liepen de receptie in. Om de paar meter greep ik me voorovergebogen aan mijn man vast om de volgende wee op te vangen. Een stuk of wat gealarmeerde verpleegsters kwamen met een brancard aanrennen om me naar de kraamafdeling te rijden. 
‘Dat hoeft niet’, zei ik, ‘ik loop liever zelf.’ 
Toen de liftdeuren opengingen zag ik mezelf weerspiegeld in de levensgrote spiegelwand tegenover me. Daar stond ik, wijdbeens, met een enorme buik, mijn haar alle kanten op en een blik zo krachtig, die had ik nog nooit eerder gezien bij mezelf. 
‘Wauw’, zei ik tegen mijn man. ‘Moet je mij zien.’
Het was nog maar een klein stukje van de lift naar de kraamafdeling. We liepen naar binnen, ik had een wee en een verpleegster zei behulpzaam: 
‘Kom maar, ga hier maar liggen’ en wees naar een bed. 
‘Niks liggen’, zei ik. ‘Ik wil een baarkruk.’ 
Terwijl zij op zoek ging naar een baarkruk leunde ik voorover, mijn armen steunend op een commode. Bij de volgende wee werd mijn dochter geboren. Mijn man ving haar op en samen gingen we zitten. Hij legde mijn dochter in mijn armen en pakte ons in met een dekentje. Ik keek naar haar. Haar huid was donker, haar ogen bruin en haar haar pikzwart. Ik keek op naar mijn man om te zeggen hoe mooi ze was, en zag toen pas dat er zo’n vijftien verpleegsters om ons heen stonden. 
‘Zo’n snelle bevalling hebben we nog nooit meegemaakt’, zeiden ze. 
‘Ik ook niet’, zei ik. 
De verpleegster kwam terug met de baarkruk. Die was inmiddels niet meer nodig. 
‘Wil je een prik, zodat de nageboorte er sneller uit komt?’, vroeg ze. 
‘Nee’, zei ik. 
Ze begon aan de navelstreng te sjorren. 
‘Blijf af’, zei ik. De nageboorte kwam vanzelf, mijn man knipte de navelstreng door en de verpleegster zei: 
‘Geef de baby maar hier, dan zullen we haar eens goed wassen.’ 
‘Over mijn lijk’, snauwde ik naar haar en geschrokken deed ze een stap achteruit. Mijn man werkte vriendelijk doch beslist alle verpleegsters de deur uit. Eindelijk rust.
Na een uur besloten we dat het tijd was om naar huis te gaan. We konden haast niet wachten om onze zoon zijn nieuwe zusje te laten zien. Ik nam een douche, mijn man ruimde wat op, onze slapende dochter in het dekentje gewikkeld in zijn armen, en even later liepen we gedrieën naar de receptie, de baby in mijn armen, zijn arm om mijn middel. 
‘We gaan’, zei ik, ‘bedankt voor de goede zorgen.’
Wat?’, zei de receptioniste. ‘Dat kan zomaar niet. Dit is zeer ongebruikelijk. Wilt U even hier wachten?’ 
Nerveus belde ze haar supervisor, die onmiddellijk naar de receptie kwam. 
‘U kunt niet zomaar weggaan’, zei deze. ‘De moeder wordt geacht drie dagen in het ziekenhuis te blijven om te herstellen van de bevalling en het kind moet nog een aantal onderzoeken ondergaan. En U moet nog de papieren ondertekenen.’ 
‘Geef maar hier die papieren’, zei ik, ‘maar ik blijf niet en die onderzoeken kunnen later ook nog.’ 
‘Dit is hoogst ongebruikelijk’, zei de supervisor boos en verdween.
 Even later kwam ze terug met de dienstdoende arts, een knappe man in een witte jas. Deze gaf ons vriendelijk een hand en feliciteerde ons met de geboorte van onze dochter. 
‘Wanneer U naar huis wilt kunnen we U uiteraard niet tegenhouden’, zei hij, ‘we hebben wel vaker te maken met mensen als U. Wanneer dit echter kwalijke gevolgen heeft voor U of Uw baby zijn wij niet verantwoordelijk. De consequenties zijn voor U. Ben ik duidelijk?’ 
We knikten. 
‘Eén ding: we willen U dringend verzoeken het hielprikje wel te laten doen voor U weggaat, omdat we daarmee een levensbedreigende ziekte testen waaraan Uw baby binnen 48 uur kan komen te overlijden.’
Nu had mijn zoon ook een hielprikje gehad: de kraamverzorgster kwam bij ons thuis toen hij een dag of drie was, prikte met een naaldje in zijn hieltje, hij gaf één piep, er kwam één druppel bloed en klaar. Dus we gingen akkoord.
‘Volgt U maar’, zei de dokter. 
We liepen door de gangen van het ziekenhuis naar de afdeling Bloedonderzoek. Onderweg kwam ik vrouwen in witte nachtjaponnen tegen die met doffe blik een plastic bak op wieltjes voor zich uit duwden. Het leken net spoken. 
‘Wat is er met hun gebeurd?’, vroeg ik. 
‘O, die zijn net bevallen’, zei de dokter, ‘net als U. Maar zij zijn verstandig. Zij blijven wel.’ 
Ik begreep dat hun babies in die plastic bakjes lagen. Wie had ze aangepraat dat ze hun kind zelf niet konden dragen?
Bij de afdeling Bloedonderzoek verdween de dokter. Een verpleegster zei: 
‘Geef maar hier, het is zo gebeurd.’ 
‘Nee’, zei ik, ‘ik ga mee.’ 
‘We zorgen er goed voor hoor’, zei de verpleegster sarcastisch, en maakte aanstalten om mijn dochter over te nemen. Ik deed een stap achteruit en zei: 
‘Of ik ga mee, of het gebeurt niet.’ 
De verpleegster keek me gelaten aan. 
‘Ga dan maar mee’, zei ze. ‘Maar Uw man niet.’
 Ik liep achter haar aan naar een ruimte vol metalen commodes en instrumenten. 
‘Nu moet U haar toch echt loslaten’, zei de verpleegster. 
Terwijl de tranen over mijn wangen liepen gaf ik mijn dochter aan haar. Deze werd wakker toen de verpleegster haar op één van de koude tafels legde en begon te huilen. Onverstoorbaar stak de verpleegster een naald in haar hieltje die groter was dan haar voet en begon te knijpen. Zowel mijn dochter als ik begonnen harder te huilen. 
‘Geen bloed’, zei de verpleegster verstoord, ‘ik moet nog een keer prikken.’ 
Mijn dochter begon te krijsen toen ze voor de tweede keer een naald in haar kleine voetje stak en bleef dat doen gedurende de twee minuten dat de verpleegster drie buisjes bloed uit haar voetje perste. Toen ze eindelijk klaar was en ik mijn dochter terugkreeg, die onmiddellijk in slaap viel, zei ze: 
‘Als U hier was gebleven had het ook morgen gekund.’
 Huilend kwam ik bij de receptie, waar mijn man op ons stond te wachten. 
‘Wat is er gebeurd?’, zei hij bezorgd. 
‘Haal me hier weg’, huilde ik, en vertelde wat er gebeurd was. Hij omhelsde me, onze dochter op mijn buik tussen ons in, en zei: 
‘Nog heel even, we moeten de papieren nog ondertekenen. De dokter komt zo.’ 
Na twintig minuten kwam de dokter. 
‘Ah, de Vliegende Hollanders’, zei hij. ‘Het hele ziekenhuis praat over jullie! Als U hier maar wilt tekenen.’

Je kunt wetenschappelijk onderzoeken welke gevolgen het onderbreken van het continuüm heeft, maar daarvoor moet je eigenlijk al afgescheiden zijn van het continuüm. Wetenschappelijk onderzoek is in wezen niet nodig, want we weten allemaal wat het betekent om afgescheiden te zijn van de stroom van het continuüm: het maakt ongelukkig. Het betekent dat onze diepste behoeftes niet langer bevredigd worden: onze behoefte aan veiligheid, aan nabijheid, aan aanraking, aan goed voedsel, aan intimiteit, aan een leven waarin ‘het’ klopt: waarin we in harmonie zijn met de natuur, onze omgeving en onze medemens.

Het gevolg daarvan is simpel: instinctief nemen we waar dat er iets niet klopt, en die waarneming maakt ons onrustig. Het continuüm in ons reageert met alertheid, soms zelfs met angst, en met de onmiddelijke, krachtige en duidelijke impuls tot actie over te gaan om te herstellen wat er niet klopt. Miljoenen jaren evolutie hebben onze instincten zeer gevoelig gemaakt, onze acties zeer doelgericht, en we weten altijd met onmiddelijke zekerheid of iets wel of niet goed voor ons is in het licht van de oerbehoeftes aan veiligheid, voedsel en nabijheid, en we reageren daar onmiddelijk op, met een automatisme en natuurlijkheid die volkomen voorbij ons denken gaat.

Zo huilt een baby als het alleen is, omdat die situatie niet overeenkomt met de wijsheid van het continuüm in hem. Wanneer de behoefte aan aanraking niet bevredigd wordt gaat hij huilen. Dat is wat zoogdierbabies doen: huilen of piepen als ze honger hebben, honger naar voedsel of huidhonger, beiden even essentieel. De baby verwacht dat er aan die behoefte voldaan zal worden; het verwacht ouders die zich overeenkomstig het continuüm gedragen, dus onmiddelijk zullen komen en hem de borst geven, of hem oppakken en tegen zich aan houden terwijl ze sussende en bevestigende geluidjes maken. Als die bevredigende reactie uitblijft ontstaat er angst. Zijn continuüm vertelt hem dat zijn ouders dood og ernstig gewond zijn, omdat dat volgens de eenvoud van de natuur het enige antwoord kan zijn op het uitblijven van hun aandacht en liefde.

Wanneer een pasgeboren baby geconfronteerd wordt met plotselinge kou, herrie, pijn van de te vroeg doorgesneden navelstreng en een ruwe behandeling van onverschillige verpleegsters, wanneer het niet getroost en omhuld wordt door het lichaam, de warmte en de liefde van zijn moeder, raakt het in paniek. Vanuit zijn aangeboren continuüm rekent hij erop om in de armen van zijn moeder te verkeren na zijn geboorte. Dat is zijn geboorterecht, en zijn continuüm slaat alarm als dat niet het geval is. Hij gaat in reactie meestal krijsen, zijn enige mogelijkheid om aan te geven dat er iets grondig mis is. Dit wordt benoemd als: ‘Hij heeft gezonde longetjes’ en vervolgens wordt hij apart gelegd, in een zaal met andere krijsende of apathische babies, zodat de moeder kan ‘uitrusten’.

Iedere moeder weet hoe hartverscheurend het is om je kind te horen huilen. Alles in je reikt uit naar het kind, je wilt het oppakken en troosten, je wilt het de borst geven, je wilt het bij je houden, je wilt het vasthouden en geen seconde meer alleen laten. Maar je moeder of de verpleegster zegt: ‘Als je het nu oppakt verwen je het en leert hij nooit doorslapen.’ De herinnering aan je eigen pijn toen je als baby alleen gelaten werd heb je jaren geleden al verdrongen, dus je negeert je moederinstinct, ookal doet je hele lichaam pijn, ookal krijg je kramp in je borsten en in je buik. Je vecht tegen het continuüm dat in je beweegt en mobiliseert al je wilskracht om trouw te blijven aan je aangeleerde gedrag en aangeboren natuurlijkheid te onderdrukken.

Tegen de tijd dat de baby naar de crèche gaat zijn zowel jij als je baby uitgeput. Want dat is wat er gebeurt als je je verzet tegen het continuüm: je verzet je tegen iets dat oneindig veel sterker is dan al je conditioneringen en cultuurbepaalde gedrag bij elkaar: je verzet je tegen de evolutie zelf, waar jij uit voortkomt. Je werkt jezelf tegen. Niets geeft een onveiliger gevoel dan dat. Inplaats van dat je je gedragen weet door het continuüm heb je nu het gevoel dat je geen grond meer onder je voeten hebt, dat je niet langer deel uitmaakt van iets kloppends, en dat je alles zelf moet doen. Dat heb je als baby geconcludeerd toen je niet gedragen werd door je ouders, door je broertjes en zusjes, door de mensen uit je clan. Je werd alleen gelaten als baby, en dat trauma ben je nooit te boven gekomen.

Uitputting, burnout, vervreemding, een gevoel van geïsoleerd of afgescheiden te zijn, depressie, eenzaamheid en seksuele problemen: het vindt allemaal zijn wortels in dit begintrauma, in deze eerste en cruciale ontkenning van het continuüm in ons. Elk moment in je leven dat hetgeen je ervaart niet overeenkomt met het continuüm, sterf je een beetje. Met sterven bedoel ik: trek je je een beetje terug uit de werkelijkheid, ontstaat er een muur, een onzichtbare laag tussen jou en de rest van de wereld, ga je een beetje minder voelen van het leven dat zich buiten je voltrekt, en voel je je net iets minder deel uitmaken van alles wat er om je heen gebeurt.

Het lichaam heeft miljoenen sensoren, verbonden met onze zintuigen, via welke we verbonden zijn met de werkelijkheid. Met deze sensoren proeven, ruiken, horen, zien en voelen we, en via deze sensoren genieten we. Een prettige geur, een lekkere smaak, een fijn geluid, een mooi beeld, een zachte aanraking: onze sensoren nemen het waar en wij ervaren dat als genot, als geluk. Een nare geur, een vieze smaak, een hard geluid, een afstotend beeld of een onprettige aanraking: onze sensoren nemen het waar en wij ervaren dat als afkeer, als pijn of als ongeluk. Als het onbehagen een bepaalde grens overschrijdt treedt een aangeboren beschermingsmechanisme in werking: de sensoren trekken zich terug, als de voelsprieten van een zee-anemoon, als de tentakels van een pantoffeldiertje, waardoor de ervaring van de pijn of het ongemak vermindert of verdwijnt en we geen last meer hebben van de negatieve prikkel. Zo ruik je bijvoorbeeld na een tijdje in een ruimte waar het stinkt de vieze geur niet meer. Als je dan later buiten bent openen de sensoren zich weer en je ruikt de frisse lucht. Echter: als je te vaak in een stinkende ruimte bent passen de sensoren zich aan: ze blijven ingetrokken. Bij chronische stank, zonder dat er verandering optreedt, dus zonder dat er op het in principe gezonde signaal gereageerd wordt, sterven ze zelfs af. Dan heb je geen last van de stank, maar je ruikt ook het bos niet meer. De term voor deze ongevoeligheid is ‘numbness’.

Deze numbness, dit mechanisme van zelfbescherming, geldt voor alle zintuigen in het lichaam, dus ook voor de huid. De huid heeft verreweg het grootst aantal sensoren van alle zintuigen, waarvan de grootste concentratie in de vingertoppen, lippen, tong en geslachtsdelen zitten. Aanraking ervaren we als iets bijzonder intiems. Een aanraking van de vingertoppen op de blote huid is één van de meest intense zintuiglijke ervaringen die we kunnen hebben. Wanneer we echter als baby en in de loop van ons leven te weinig of op de verkeerde manier aangeraakt worden zal de numbness van ons lichaam zich uitstrekken tot onze huid. We gaan steeds minder voelen en zijn steeds minder in staat om in vervoering te raken van een aanraking, een omhelzing of een zoen. Uiteraard heeft deze numbness, waar vrijwel iedere volwassene in onze cultuur aan lijdt, grote gevolgen voor onze intieme relaties.


[1] Jean Liedloff, ‘The continuum concept’. 1e druk 1986. ISBN: 9780140192452. Nederlandse vertaling: ‘Op zoek naar het verloren geluk’. ISBN: 9789076771571.
Advertenties

2 thoughts on “1- Het continuüm

  1. Mooi geschreven! Ik heb het geluk gehad dit boek van Jean Liedloff te lezen tijdens mijn eerste zwangerschap. Ook mijn bevalling was niet in Nederland, maar in Griekenland (nu bijna 21 jaar geleden), waar thuisbevallingen ook niet mogen. Ook hier was het een “gevecht” de baby te mogen vasthouden en niet in een plastic bakje te laten leggen. Ze vonden het allemaal vreemd, maar dat was hun probleem. Mijn dochter was bij mij, dag en nacht op mijn huid. Ik liep helaas niet zo makkelijk het ziekenhuis uit, want het was een zware en langdurige bevalling geweest en ik moest gehecht worden. Het kostte me al mijn overtuigingskracht tijdens het hechten dat ze me de baby moesten geven. Dat was het zwaarste stukje van de hele bevalling…
    Bij de tweede zwangerschap hebben we het zo georganiseerd dat we in Nederland waren, zodat een thuisbevalling wel kon. Ook daar was al onze overredingskracht nodig de vroedvrouw ervan te overtuigen dat ze echt weg mocht gaan toen de baby geboren was, en dat we echt NIET wilden dat de baby eerst in bad moest…
    Ook daar heb ik het al zeer storend ervaren dat buitenstaanders je niet rustig in je eigen continuüm laten ZIJN. Dat je daar voor moet vechten, op dat soort momenten in je leven. Wat zou het toch mooi zijn als meer mensen dat besef hadden. Dank voor je artikel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s